|
Home
| Index |
Terug | Volgende
Wie wordt er gestraft?
Als we de Bijbel als leidraad voor ons leven willen gebruiken dan moet de
moraal die er uit volgt ook aan bepaalde eisen voldoen. Zo zal iedereen het
erover eens zijn dat men mensen dient te beoordelen op hun eigen daden en dus
niet te straffen voor overtredingen die door anderen zijn begaan. Laten we
daarom eens kijken wat de Bijbel hierover zegt.
Er zijn inderdaad teksten die dit principe ondersteunen.
| (Deuteronomium 24:16) De vaders zullen niet gedood worden
voor de kinderen, en de kinderen zullen niet gedood worden voor de
vaders; een ieder zal om zijn zonde gedood worden. |
|
(Ezechiel 18:2-4) Wat is ulieden, dat gij dit spreekwoord gebruikt van
het land Israels, zeggende: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en
de tanden der kinderen zijn stomp geworden? Zo waarachtig als Ik leef,
spreekt de Heere HEERE, zo het ulieden meer gebeuren zal, dit
spreekwoord in Israel te gebruiken! Ziet, alle zielen zijn Mijne; gelijk
de ziel des vaders, alzo ook de ziel des zoons, zijn Mijne; de ziel, die
zondigt, die zal sterven. |
| (1 Petrus 1:17) En indien gij tot een Vader
aanroept Dengene, Die zonder aanneming des persoons oordeelt naar eens
iegelijks werk, zo wandelt in vreze den tijd uwer inwoning; |
Maar zoals met veel regels in de Bijbel, is iets zeggen en er
ook naar handelen niet hetzelfde. Het gaat al gelijk mis bij een toevoegsel aan
het tweede gebod waar staat dat God kinderen zal straffen voor de zonde van de
ouders.
| (Exodus 20:5) Gij zult u voor die niet
buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God,
Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen,
aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; |
Dat we dit "bezoeken van de misdaad" ook letterlijk
dienen op te vatten blijkt uit de volgende teksten waar bij nakomelingen en
zelfs hele volkeren gestraft worden voor zonden die door anderen zijn begaan.
| (Numeri 16:26-33) En hij sprak tot de
vergadering, zeggende: Wijkt toch af van de tenten dezer goddeloze
mannen, en roert niets aan van hetgeen hunner is, opdat gij niet
misschien verdaan wordt in al hun zonden. 27 Zo gingen zij op van de
woning van Korach, Dathan en Abiram, van rondom; maar Dathan en Abiram
gingen uit, staande in de deur hunner tenten, met hun vrouwen,
en hun zonen, en hun kinderkens. 28 Toen zeide Mozes: Hieraan
zult gij bekennen, dat de HEERE mij gezonden heeft, om al deze daden te
doen, dat zij niet uit mijn eigen hart zijn. 29 Indien deze zullen
sterven, gelijk alle mensen sterven, en over hen een bezoeking zal
gedaan worden, naar aller mensen bezoeking, zo heeft mij de HEERE niet
gezonden. 30 Maar indien de HEERE wat nieuws zal scheppen, en het
aardrijk zijn mond zal opendoen, en verslinden hen met alles wat hunner
is, en zij levend ter helle zullen nedervaren; alsdan zult gij bekennen,
dat deze mannen de HEERE getergd hebben. 31 En het geschiedde, als hij
geeindigd had al deze woorden te spreken, zo werd het aardrijk, dat
onder hen was, gekloofd; 32 En de aarde opende haar mond, en verslond
hen met hun huizen, en allen mensen, die Korach toebehoorden, en al de
have. 33 En zij voeren neder, zij en alles wat
hunner was, levend ter helle; en de aarde overdekte hen, en zij
kwamen om uit het midden der gemeente. |
| (Jozua 7:24-25) 24 Toen nam Jozua, en gans
Israel met hem, Achan, den zoon van Zerah, en het zilver, en het
sierlijk overkleed, en de gouden tong, en zijn
zonen, en zijn dochteren, en zijn ossen, en zijn ezelen, en zijn
vee, en zijn tent, en alles wat hij had; en zij voerden ze naar het dal
Achor. 25 En Jozua zeide: Hoe hebt gij ons beroerd? De HEERE zal u
beroeren te dezen dage! En gans Israel stenigde hem met stenen, en
zij verbrandden hen met vuur, en zij overwierpen hen met stenen. |
| (2 Samuel 12:13-14) 13 Toen zeide David
tot Nathan: Ik heb gezondigd tegen den HEERE! En Nathan zeide tot David:
De HEERE heeft ook uw zonde weggenomen, gij zult niet sterven. 14
Nochtans, dewijl gij door deze zaak de vijanden des HEEREN grotelijks
hebt doen lasteren, zal ook de zoon, die u geboren
is, den dood sterven. |
| (2 Samuel 21:1) 1 ¶ En er was in Davids
dagen een honger, drie jaren, jaar achter jaar; en David zocht het
aangezicht des HEEREN. En de HEERE zeide: Het is
om Saul en om des bloedhuizes wil, omdat hij de Gibeonieten
gedood heeft.2 Toen riep de koning de Gibeonieten, en zeide tot hen: (De
Gibeonieten nu waren niet van de kinderen Israels, maar van het
overblijfsel der Amorieten; en de kinderen Israels hadden hun gezworen,
maar Saul zocht hen te slaan in zijn ijver voor de kinderen van Israel
en Juda.) 3 David dan zeide tot de Gibeonieten: Wat zal ik ulieden doen,
en waarmede zal ik verzoenen, dat gij het erfdeel des HEEREN zegent? 4
Toen zeiden de Gibeonieten tot hem: Het is ons niet te doen om zilver en
goud met Saul en met zijn huis; ook is het ons niet om iemand te doden
in Israel. En hij zeide: Wat zegt gij dan, dat ik u doen zal? 5 En zij
zeiden tot den koning: De man die ons te niet gemaakt, en tegen ons
gedacht heeft, dat wij zouden verdelgd worden, zonder te kunnen bestaan
in enige landpale van Israel; 6 Laat ons zeven
mannen van zijn zonen gegeven worden, dat wij hen den HEERE ophangen
te Gibea Sauls, o, gij verkorene des HEEREN! En de koning zeide: Ik zal
hen geven. |
| (2 Samuel 24:10-15) En Davids hart sloeg
hem, nadat hij het volk geteld had; en David zeide tot den HEERE:
Ik heb zeer gezondigd in hetgeen ik gedaan heb; maar nu, o HEERE, neem
toch de misdaad Uws knechts weg, want ik heb zeer zottelijk gedaan.
11 Als nu David des morgens opstond, zo geschiedde het woord des HEEREN
tot den profeet Gad, Davids ziener, zeggende: 12 Ga heen, en spreek tot
David: Alzo zegt de HEERE: Drie dingen draag Ik u voor; verkies u een
uit die, dat Ik u doe. 13 Zo kwam Gad tot David, en maakte het hem
bekend, en zeide tot hem: Zal u een honger van zeven jaren in uw land
komen? Of wilt gij drie maanden vlieden voor het aangezicht uwer
vijanden, dat die u vervolgen? Of dat er drie dagen pestilentie in uw
land zij? Merk nu, en zie toe, wat antwoord ik Dien zal wederbrengen,
Die mij gezonden heeft. 14 Toen zeide David tot Gad: Mij is zeer bange;
laat ons toch in de hand des HEEREN vallen, want Zijn barmhartigheden
zijn vele, maar laat mij in de hand van mensen niet vallen. 15 Toen gaf
de HEERE een pestilentie in Israel, van den morgen af tot den gezetten
tijd toe; en er stierven van het volk, van Dan tot
Ber-seba toe, zeventig duizend mannen. |
| (Jeremia 15:3-4) Want
Ik zal bezoeking over hen doen met vier geslachten, spreekt de
HEERE: met het zwaard, om te doden; en met de honden, om te slepen; en
met het gevogelte des hemels, en met het gedierte der aarde, om op te
eten en te verderven. 4 En Ik zal hen overgeven tot een beroering aan
alle koninkrijken der aarde, vanwege Manasse, zoon van Jehizkia, koning
van Juda, om hetgeen hij te Jeruzalem gedaan heeft. |
| (Jeremia 29:32) Daarom zegt de HEERE
alzo: Ziet, Ik zal bezoeking doen over Semaja, den Nechlamiet, en
over zijn zaad; hij zal niemand hebben, die in het midden dezes
volks wone, en zal het goede niet zien, dat Ik Mijn volke doen zal,
spreekt de HEERE; want hij heeft een afval gesproken tegen den HEERE. |
Ook het principe van de erfzonde zegt dat allen schuldig zijn
door de zonde van één.
| (Romeinen 5:18-19) Zo dan, gelijk door een
misdaad de schuld gekomen is over alle mensen tot verdoemenis; alzo ook
door een rechtvaardigheid komt de genade over alle mensen tot
rechtvaardigmaking des levens. 19 Want gelijk door
de ongehoorzaamheid van dien enen mens velen tot zondaars gesteld zijn
geworden, alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van Enen velen
tot rechtvaardigen gesteld worden. |
| (Romeinen 5:12) Daarom, gelijk door een
mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en
alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is,
in welken allen gezondigd hebben. |
Het straffen van onschuldigen vindt natuurlijk zijn
hoogtepunt in de dood van Jezus.
| (1
Korinthiërs 15:3) Want ik heb ulieden
ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven
is voor onze zonden, naar de Schriften; |
| (Openbaring 1:5) En van Jezus Christus, Die
de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de doden, en de Overste der
koningen der aarde. Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons
van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed. |
De bijbelse "moraal" zegt dus dat als er zonden
zijn begaan God pas weer tevreden is gesteld als er bloed heeft gevloeid en dat
dit ook het bloed van ONSCHULDIGEN mag zijn.
CONCLUSIE: de Bijbel sluit niet uit dat ONSCHULDIGEN gestraft
worden voor zonden die anderen hebben begaan en dat is reden om sterk te
twijfelen aan de waarde van de bijbelse moraal.
Home
| Index |
Terug | Volgende
|