Home | Index | Terug | Volgende

Goede Zaken    

 

Exodus

1. "Eert uw vader en uw moeder." 20:12

2. "Gij zult niet doodslaan." 20:13

3. "Gij zult niet echtbreken." 20:14

4. "Gij zult niet stelen." 20:15

5. "Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste." 20:16

6. Behandel vreemdelingen, weduwen en wezen goed.  22:21-22

7. Houdt de waarheid hoog; Liegt niet. 23:1

8. Volg niet de massa in kwade zaken. 23:2

9. Behandel je vijanden en degenen die je haten goed. 23:4-5

10. Wees rechtvaardig. 23:6

11. Wees eerlijk. Dood geen onschuldigen. 23:7

12. Behandel vreemdelingen goed. 23:9

13. Ieder zevende jaar moesten de Israelieten hun velden ongeoogst laten voor de armen. 23:11


Leviticus

1. Laat wat druiven achter in de wijngaard voor de armen. 19:10

2. Steel en lieg niet. 19:11

3. Licht uw naaste niet op. 19:13

4. Drijf niet de spot met blinden en doven. 19:14

Maar David, God's eigen held, denkt daar blijkbaar anders over:  "Al wie de Jebusieten slaat, en geraakt aan die watergoot, en die kreupelen, en die blinden, die van Davids ziel gehaat zijn, die zal tot een hoofd en tot een overste zijn; daarom zegt men: Een blinde en kreupele zal in het huis niet komen." (2 Samuel 5:8)

5. Roddelt niet. 19:16

6. "Gij zult uw broeder in uw hart niet haten; " 19:17


7. "Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven" 19:18, Mattheus 22:39, Markus 12:31, Lukas 10:27, Jacobus 2:8

Verreweg het beste vers in de bijbel maar het lijkt niet erg op zijn plaats hier want in het volgende hoofdstuk geeft God opdracht tot het doden van heksen (20:6), brutale kinderen (20:9), plegers van overspel (20:10) en plegers van homoseksuele handelingen (20:13). Verder staat het oude testament vol met teksten waarin God opdracht geeft aan de Israelieten om hun buurvolkeren te vermoorden. Enkele voorbeelden: (1 Samuel 15:3), (Numerie 21:34-35), (Numerie 31:7)

8. Heb respect voor de ouderen. 19:32

9. Behandel vreemdelingen goed. 19:33-34

10. Wees eerlijk. 19:35-36

11. Boeren dienen de hoeken van hun velden niet te oogsten ten behoeven van armen en vreemdelingen. 23:22


Deuteronomium

1. "Eert uw vader en uw moeder." 5:16

2. "Gij zult niet doodslaan." 5:17

3. "Gij zult geen overspel doen." 5:18

4. "Gij zult niet stelen" 5:19

5. "Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste." 5:20

6. Heb de vreemdeling lief. 10:19

7. Wees de armen behulpzaam. 15:7-8

8. Gevonden voorwerpen en dieren dienen te worden terugbezorgd aan de eigenaar. 22:1-4


Job

1. De dood is het einde en er is geen hiernamaals. 7:7-9


Psalmen

1. "Welgelukzalig is hij, die zich verstandiglijk gedraagt jegens een ellendige;  41:2
 

Spreuken

1."Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet;" 1:8

2. "Dat de goedertierenheid en de trouw u niet verlaten; bind ze aan uw hals, schrijf zij op de tafel uws harten." 3:3

3. "Welgelukzalig is de mens, die wijsheid vindt, en de mens, die verstandigheid voortbrengt!"  3:13

Maar (Prediker 1:18) zegt dat wijsheid de mens juist ongelukkig maakt.

4. "Onthoud het goed van zijn meesters niet, als het in het vermogen uwer hand is te doen." 3:27

5. "Zeg niet tot uw naaste: Ga heen, en kom weder, en morgen zal ik geven, dewijl het bij u is." 3:28

6. "Smeed geen kwaad tegen uw naaste, aangezien hij met vertrouwen bij u woont. Twist met een mens niet zonder oorzaak, zo hij u geen kwaad gedaan heeft. Zijt niet nijdig over een man des gewelds, en verkies geen van zijn wegen." 3:29-31

7. "De wijsheid is het voornaamste; verkrijg dan wijsheid, en verkrijg verstand met al uw bezitting. Verhef ze, en zij zal u verhogen; zij zal u vereren, als gij haar omhelzen zult." 4:7-8

Maar de schrijvers van het Nieuwe Testament moeten niets hebben van wijsheid.

(1 Korinthiers 2:13-14) Dewelke wij ook spreken, niet met woorden, die de menselijke wijsheid leert, maar met woorden, die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen met geestelijke samenvoegende.

(1 Korinthiers 1:19-21) Want er is geschreven: Ik zal de wijsheid der wijzen doen vergaan, en het verstand der verstandigen zal Ik te niet maken. Waar is de wijze? Waar is de schriftgeleerde? Waar is de onderzoeker dezer eeuw? Heeft God de wijsheid dezer wereld niet dwaas gemaakt?

8. "Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidheid der lippen verre van u." 4:24

9. "Haat verwekt krakelen; maar de liefde dekt alle overtredingen toe. 10:12

10. "Als de hovaardigheid komt, zal de schande ook komen; maar met de ootmoedigen is wijsheid. 11:2

12. "Wie de tucht liefheeft, die heeft de wetenschap lief; maar wie de bestraffing haat, is onvernuftig."  12:1

13. "De rechtvaardige kent het leven van zijn beest; maar de barmhartig-heden der goddelozen zijn wreed." 12:10

14. "De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs." 12:15

15. "Een waarachtige lip zal bevestigd worden in eeuwigheid; maar een valse tong is maar voor een ogenblik." 12:19

16. "Een wijs zoon hoort de tucht des vaders;" 13:1

17. "Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt bij hem geen lippen der wetenschap merken. De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij." 14:7-8

18. "Hoeveel beter is het wijsheid te bekomen, dan uitgegraven goud, en uitnemender, verstand te bekomen, dan zilver! De baan der oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijn ziel, die zijn weg bewaart." 16:16-17

19. "Die rechtvaardigheid en weldadigheid najaagt, zal het leven, rechtvaardigheid en eer vinden."  21:21

20. "De slechte gelooft alle woord;" 14:15

Maar (1 Korinthiers13:7) zegt: "Zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen, zij verdraagt alle dingen."

21. "De arme wordt zelfs van zijn vriend gehaat; maar de liefhebbers des rijken zijn vele." 14:20

22. "Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen."  15:1

23. "De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit."  15:2

24. "Hovaardigheid is voor de verbreking, en hoogheid des geestes voor den val. Het is beter nederig van geest te zijn met de zachtmoedigen, dan roof te delen met de hovaardigen."  16:18-19

25. "De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid der lippen zal de lering vermeerderen. Het verstand dergenen, die het bezitten, is een springader des levens; maar de tucht der dwazen is dwaasheid." 16:21-22

26. "Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en die zijn lippen toesluit, verstandig." 17:28

27. "Die antwoord geeft, eer hij zal gehoord hebben, dat is hem dwaasheid en schande." 18:13

28. "Die zijn mond en zijn tong bewaart, bewaart zijn ziel van benauwdheden." 21:23

29. "De naam is uitgelezener dan grote rijkdom, de goede gunst dan zilver en dan goud." 22:1

30. "Leer den jongen de eerste beginselen naar den eis zijns wegs; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken." 22:6

31. "Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand uwer woorden verachten." 23:9

32. "Begeef uw hart tot de tucht, en uw oren tot de redenen der wetenschap." 23:12

33. "Verblijd u niet, als uw vijand valt; en als hij nederstruikelt, laat uw hart zich niet verheugen;" 24:17

34. "Wees niet zonder oorzaak getuige tegen uw naaste; want zoudt gij verleiden met uw lip?  24:28

35. Zeg niet: Gelijk als hij mij gedaan heeft, zo zal ik hem doen; ik zal een ieder vergelden naar zijn werk." 24:29

36. "Indien dengene, die u haat, hongert, geef hem brood te eten; en zo hij dorstig is, geef hem water te drinken;" 25:21

37. "Hebt gij een man gezien, die wijs in zijn ogen is! Van een zot is meer verwachting dan van hem." 26:12

38. "De luiaard is wijzer in zijn ogen, dan zeven, die met rede antwoorden.
" 26:14

39. "Beroem u niet over den dag van morgen; want gij weet niet, wat de dag zal baren." 27:1

40. "Laat u een vreemde prijzen, en niet uw mond; een onbekende, en niet uw lippen." 27:2

41. "Een man, die zijn naaste vleit, spreidt een net uit voor deszelfs gangen."  29:5

42. "De rechtvaardige neemt kennis van de rechtzaak der armen; maar de goddeloze begrijpt de wetenschap niet." 29:7

43. "De hoogmoed des mensen zal hem vernederen; maar de nederige van geest zal de eer vasthouden."  29:23

44. "Geeft sterken drank dengene, die verloren gaat, en wijn dengenen, die bitterlijk bedroefd van ziel zijn; Dat hij drinke, en zijn armoede vergete, en zijner moeite niet meer gedenke." 31:6-7
 

Home | Index | Terug | Volgende