|
Home
| Index |
Terug
|
Volgende
Gruwel en geweld.
Hoewel christenen doen voorkomen alsof de
Bijbel alleen liefde en verdraagzaamheid predikt staat zij in werkelijkheid vol met gruwelijkheden en bloederig geweld.
| (Psalmen
89:24) Maar Ik zal zijn wederpartijders
verpletteren voor zijn aangezicht, en die hem haten, zal Ik plagen. |
| (Richteren 4:21)
Daarna nam Jael, de huisvrouw van Heber,
een nagel der tent, en greep een hamer in haar hand, en ging stilletjes
tot hem in, en dreef den nagel in den slaap zijns hoofds, dat hij in de
aarde vast werd; hij nu was met een diepen slaap bevangen en vermoeid,
en stierf. |
| (Psalmen
3:8) Sta op, HEERE, verlos mij, mijn God;
want Gij hebt al mijn vijanden op het kinnebakken geslagen; de tanden
der goddelozen hebt Gij verbroken. |
| (2 Koningen 9:32-33) En hij hief zijn aangezicht op naar
het venster, en zeide: Wie is met mij? Wie? Toen zagen op hem twee, drie
kamerlingen. En hij zeide: Stoot ze van boven neder. En zij
stieten haar van boven neder, zodat van haar bloed aan den wand en aan
de paarden gesprengd werd; en hij vertrad haar. |
| (1 Samuël 15:33) Maar Samuel zeide: Gelijk als uw zwaard
de vrouwen van haar kinderen beroofd heeft, alzo zal uw moeder van haar
kinderen beroofd worden onder de vrouwen. Toen hieuw Samuel Agag in
stukken, voor het aangezicht des HEEREN te Gilgal. |
| (Jeremia 51:22) En door u zal Ik in stukken slaan den man
en de vrouw; en door u zal Ik in stukken slaan den oude en den jonge; en
door u zal Ik in stukken slaan den jongeling en de jonkvrouw. |
| (Richteren 19:25-29) Maar de mannen wilden naar hem niet
horen. Toen greep de man zijn bijwijf, en bracht haar uit tot hen
daarbuiten; en zij bekenden haar, en waren met haar bezig den ganse
nacht tot aan den morgen, en lieten haar gaan, als de dageraad oprees.
26 En deze vrouw kwam tegen het aanbreken van den morgenstond, en viel
neder voor de deur van het huis des mans, waarin haar heer was, totdat
het licht werd. 27 Als nu haar heer des morgens opstond en de deuren van
het huis opendeed, en uitging om zijns weegs te gaan, ziet, zo lag de
vrouw, zijn bijwijf, aan de deur van het huis, en haar handen op den
dorpel. 28 En hij zeide tot haar: Sta op, en laat ons trekken; maar
niemand antwoordde. Toen nam hij haar op den ezel, en de man maakte zich
op, en toog naar zijn plaats. 29 Als hij nu in zijn huis kwam, zo nam
hij een mes, en greep zijn bijwijf, en deelde haar met haar beenderen in
twaalf stukken; en hij zond ze in alle landpalen van Israel. |
| (Psalmen
18:41) En Gij gaaft mij den nek mijner
vijanden, en mijn haters, die vernielde ik. |
| (Mattheüs 14:8-11)
En zij, te voren onderricht zijnde van
haar moeder, zeide: Geef mij hier in een schotel het hoofd van Johannes
den Doper.................. en onthoofdde Johannes in den kerker. En
zijn hoofd werd gebracht in een schotel, en het dochtertje gegeven; en
zij droeg het tot haar moeder. |
| (Richteren 7:25) En zij vingen twee vorsten der Midianieten,
Oreb en Zeeb, en doodden Oreb op den rotssteen Oreb, en Zeeb doodden zij
in de perskuip van Zeeb, en vervolgden de Midianieten; en zij brachten
de hoofden van Oreb en Zeeb tot Gideon, over de Jordaan. |
| (Psalmen 72:9) De ingezetenen van dorre plaatsen zullen
voor zijn aangezicht knielen, en zijn vijanden zullen het stof lekken. |
| (2 Koningen 10:7)
Het geschiedde dan, als die brief tot hen
kwam, dat zij de zonen des konings namen, en zeventig mannen sloegen; en
zij leiden hun hoofden in korven, die zij tot hem zonden naar Jizreel. |
| (Psalmen
68:22) Voorzeker zal God den kop Zijner
vijanden verslaan, den harigen schedel desgenen, die in zijn schulden
wandelt. |
| (Numeri 25:8)
En hij ging den Israelietischen man na in de
hoerenwinkel, en doorstak hen beiden, den Israelietischen man en de
vrouw, door hun buik. Toen werd de plaag van over de kinderen Israels
opgehouden. |
| (Richteren 9:54)
Toen riep hij haastelijk, den jongen, die
zijn wapenen droeg, en zeide tot hem: Trek uw zwaard uit, en dood mij,
opdat zij niet van mij zeggen: Een vrouw heeft hem gedood. En zijn
jongen doorstak hem, dat hij stierf. |
| (Psalmen
68:24) Opdat gij uw voet, ja, de tong uwer
honden, moogt steken in het bloed van de vijanden, van een iegelijk van
hen. |
Ook het doden van kinderen en zwangere vrouwen
is een geliefd onderwerp in het bijbelse gruwel kabinet.
|
(Numeri
31:17) Nu dan, doodt
al wat mannelijk is onder de kinderkens; en
doodt alle vrouw, die
door bijligging des mans een man bekend heeft. |
| (Psalmen 137:9) Welgelukzalig zal hij zijn, die uw
kinderkens grijpen, en aan de steenrots verpletteren zal. |
| (Jesaja 13:18)
Maar hun bogen zullen de jongelingen
verpletteren, en zij zullen zich niet ontfermen over de vrucht des buiks;
hun oog zal de kinderen niet verschonen. |
| (2 Koningen 15:16) Toen sloeg Menahem Tifsah, met allen,
die daarin waren, ook haar landpalen van Thirza af; omdat men niet voor
hem had opengedaan, zo sloeg hij hen; al haar bevruchte vrouwen hieuw
hij in stukken. |
|
(2 Koningen 8:12) Toen zeide Hazael: Waarom weent mijn heer? En hij zeide:
omdat ik weet, wat kwaad gij den kinderen Israels doen zult; gij zult
hun sterkten in het vuur zetten, en hun jonge manschap met het zwaard
doden, en hun jonge kinderen verpletteren, en hun zwangere vrouwen
opensnijden. |
| (Jesaja 13:16) Ook zullen hun kinderkens voor hun ogen
verpletterd worden; hun huizen zullen geplunderd, en hun vrouwen
geschonden worden. |
| (Jeremia
13:15) En Ik zal hen in stukken slaan, den een
tegen den ander, zo de vaders als de kinderen te zamen, spreekt de HEERE;
Ik zal niet verschonen noch sparen, noch Mij ontfermen, dat Ik hen niet
zou verderven. |
| (Ezechiel
9:6) Doodt ouden,
jongelingen en maagden, en kinderkens en vrouwen, tot verdervens toe; |
Home
| Index |
Terug
|
Volgende
|